Geheugenonderzoek

Verschillen tussen gebaarders en sprekers en de mogelijke redenen

 

 

 

De afgelopen weken ben ik bezig geweest met een onderzoek naar korte-termijngeheugen (STM)-capaciteit van gebaarders en sprekers. Die STM-capaciteit wordt bijvoorbeeld getest door middel van het herhalen van rijtjes woorden; hoe langer de rij woorden die je nog goed kan herhalen, hoe groter je STM-capaciteit is. Eerdere onderzoeken hebben uitgewezen dat gebaarders een kleinere STM-capaciteit hebben dan sprekers. Dat ligt er niet aan dat alle gebarentaalgebruikers een slecht geheugen hebben, of cognitief minderwaardig zijn. Integendeel, op visuele discriminatie- en herinneringstaken presteren doven juist beter dan horenden. Het lijkt er eerder op dat er iets speciaals is aan het korte-termijngeheugen voor woorden; iets dat maakt dat er meer gesproken woorden in kunnen worden vastgehouden dan gebaarde woorden.

 

§         Wat is het korte-termijngeheugen?

§         Hoe werkt het korte-termijngeheugen?

§         Een mogelijke verklaring

§         Het onderzoek

§         Resultaten

 

 

Wat is het korte-termijngeheugen?

 

Stel je voor dat iemand je zijn 06-nummer vertelt, en je moet het onthouden totdat je een stuk papier hebt gevonden om het op te schrijven. Wat doe je dan? Meestal herhaal je het in je hoofd om de cijfers niet te vergeten. Zodra je het nummer opgeschreven hebt, vergeet je het en als iemand je een paar uur later vraagt om het nog eens op te noemen, zou je het niet meer kunnen. Maar voor eventjes kun je het wel vasthouden; net lang genoeg om een stuk papier te vinden. De geheugenstructuur waarin je dit vasthouden doet, is het korte-termijngeheugen. Een plek om dingen kort op te slaan die je niet permanent hoeft te bewaren. Je gebruikt het korte-termijngeheugen ontelbare keren per dag, onder andere om taal te begrijpen. Om te snappen wat een zin betekent moet je immers soms wachten tot een woord later in de zin de voorgaande woorden duidelijk maakt. Bijvoorbeeld: “De grote, vette, rode, misvormde kater rekte zich uit.” Voordat je het woord “kater” hoort, kun je de bijvoeglijke naamwoorden niet interpreteren; ze zouden net zo goed op een worst kunnen slaan, maar de betekenis van de bijvoeglijke naamwoorden wordt dan wel heel anders. Om die reden moet je de bijvoeglijke naamwoorden in je geheugen vasthouden, totdat het zelfstandige naamwoord de betekenis duidelijk maakt. Onder andere daarvoor gebruik je het korte-termijngeheugen.

Terug naar boven

 

Hoe werkt het korte-termijngeheugen?

 

Het huidige model van het korte-termijngeheugen (STM) is als volgt: het bestaat uit twee delen: een visueel schetsblok, waarin je visuele dingen kort kan opslaan (bijvoorbeeld vormen) en een fonologische lus, waarin je auditieve informatie opslaat. Sprekers gebruiken deze fonologische lus om taalinformatie in op te slaan. Daarbij wordt de informatie telkens in het hoofd herhaald, om haar niet te vergeten. Vandaar de term lus; de woorden worden voortdurend gerecycled totdat ze gebruikt kunnen worden.

Omdat gebarentaalgebruikers een visuele taal hebben, zou je misschien verwachten dat ze voor hun taal het visuele schetsblok gebruiken. Dat wordt immers voor visuele informatie gebruikt. Er zijn echter veel aanwijzingen dat gebarentaal net zo verwerkt wordt als gesproken taal, ondanks het feit dat gesproken informatie auditief is en gebaarde informatie visueel. Dat blijkt onder andere uit hersenonderzoek dat aantoont dat gebarentaal in de linker hersenhelft verwerkt en geproduceerd wordt, net als gesproken taal, en niet in de rechter hersenhelft, die toch ruimtelijke indeling verwerkt. Verder hebben Wilson en Emmorey sterke aanwijzingen gevonden dat gebarentaalgebruikers in hun STM voor gebarentaal gebruik maken van de fonologische lus, die dus beter articulatoire lus zou kunnen heten, en niet van het visuele schetsblok. Gebaarders gebruiken dus dezelfde structuur voor gebaren als sprekers voor woorden. Waarom kunnen er dan minder gebaren in het STM dan woorden?

Terug naar boven

 

Een mogelijke verklaring

 

Eén manier waarop het verschil in STM-capaciteit verklaard zou kunnen worden, is het verschil in articulatietijd tussen woorden en gebaren. De articulatietijd van een woord is de tijd die het kost om dat woord te vormen. Een spreker spreekt een woord uit en gebruikt daarbij zijn stembanden, tong, lippen en longen. Een gebaarder gebaart een woord en gebruikt armen, handen, vingers, gezicht en soms bovenlichaam. Het blijkt dat gebaren over het algemeen langer duren om te articuleren dan woorden.

Verder is gebleken dat de fonologische lus - die wij verder articulatoire lus zullen noemen – waarin de woorden herhaald worden om ze niet te vergeten, een vaste lengte heeft. De lus is ongeveer twee seconden. Dat betekent dat je ongeveer twee seconden lang woorden kunt herhalen voordat je weer opnieuw moet beginnen. Die lengte is voor gebaarders en sprekers gelijk.

En daar zit ook de mogelijke verklaring: als de articulatoire lus een vaste lengte heeft, maar gebaren duren langer om te articuleren dan woorden, dan passen er ook minder gebaren in de lus dan woorden. En dat verklaart waarom gebaarders minder gebaren in hun STM kunnen vasthouden dan sprekers gesproken woorden.

Terug naar boven

 

Het onderzoek

 

Met mijn onderzoek wilde ik twee dingen doen. Ten eerste wilde ik onderzoeken of er inderdaad een verschil is in STM-capaciteit tussen gebaarders en sprekers. Dit verschil is aangetoond in Amerika en op een aantal andere plaatsen, maar bij mijn weten nog niet in Nederland. Ten tweede wilde ik een stap maken in de richting van het onderzoeken van de verklaring die ik net heb genoemd. Daartoe wilde ik onderzoeken of er een correlatie is tussen de articulatiesnelheid van een persoon en zijn STM-capaciteit. Immers, als de articulatiesnelheid van belang blijkt te zijn voor de prestaties van het STM, dan betekent dat dat het verschil in articulatietijd tussen gebaren en gesproken woorden wel degelijk van belang zal zijn, en is er een stap gezet op weg naar het bewijzen van de bovengenoemde theorie.

Er zijn uiteraard andere tests te bedenken, maar in de korte tijd die ik had voor dit onderzoek, was dit de beste keuze.

 

Voor de experimenten heb ik gebruik gemaakt van twee groepen proefpersonen: gebaarders en sprekers. Beide groepen bestonden uit moedertaalsprekers. Dat wil zeggen: de sprekers waren allemaal mensen die Nederlands als moedertaal hadden en de gebaarders waren allemaal doven die prelinguaal doof waren en gebarentaal hadden geleerd op jonge leeftijd (maximaal 3 jaar). De gebaarders werden gevonden in de Dovenpopulatie rond Groningen, de sprekers waren voornamelijk Groningse studenten. In totaal waren er 8 gebaarders en 10 sprekers.

 

De experimenten gingen als volgt: voor de STM-capaciteitsmeting werden mensen getest op het herhalen van rijtjes cijfers. Hoe langer de rij willekeurige cijfers die een persoon nog correct kan herhalen, hoe beter zijn STM-capaciteit. De lengte van de langste rij die nog lukte is de STM-capaciteit. Dus een persoon met een STM-capaciteit van 6 kon een rij van 6 cijfers nog goed herhalen, maar een rij van 7 lukte niet meer. Voor elke rijlengte had een persoon twee pogingen.

Voor de articulatiemeting werd mensen gevraagd een rij cijfers op te lezen dan wel te gebaren. Daarbij werden ze opgenomen. Later kon hieruit de articulatietijd per cijfer gemeten worden. De proefpersonen werd niet verteld dat het om een articulatietest ging, omdat mensen onnatuurlijk gaan spreken als ze weten dat hun spreeksnelheid gemeten wordt, en ik wilde juist hun natuurlijke spreeksnelheid meten. Deze methode van articulatiemeting is eerder met succes toegepast in een onderzoek door Marschark.

 

Uit de STM-capaciteitsmetingen kon de gemiddelde STM-capaciteit berekend worden; tevens kon een grafiek gemaakt worden van het aantal mensen dat een bepaalde score haalde. De verwachting was dat het gemiddelde van de gebaardersgroep lager zou liggen dan dat van de sprekers, en dat de piek van het aantal mensen bij de gebaarders bij een lagere capaciteit zou liggen dan die van de sprekers.

Uit de articulatiemeting kon de gemiddelde articulatietijd per cijfer van een persoon berekend worden. De verwachting was dat de mensen met een kortere articulatietijd per cijfer – de snellere praters – ook een hogere STM-capaciteit zouden hebben.

 

Door omstandigheden kon ik slechts bij 4 van de 8 gebaarders de articulatiemeting doen; de overige 4 werden getest in een ruimte waar ik niet kon opnemen. Dit zijn te weinig metingen om een conclusie uit te kunnen trekken. Ik heb dus alleen gekeken naar het verband tussen articulatiesnelheid en STM-capaciteit in de sprekersgroep.

Terug naar boven

 

Resultaten

 

De resultaten van het onderzoek waren als volgt: sprekers hadden inderdaad een hogere gemiddelde STM-capaciteit dan gebaarders, en de piek in de verdeling over de mogelijke capaciteiten lag inderdaad hoger bij sprekers dan bij gebaarders. Zie fig. 1 en 2.

De correlatie tussen spreeksnelheid en STM-capaciteit kwam er echter niet uit. Je zou in figuur 3 een stijgende lijn verwachten in STM-capaciteit naarmate de articulatietijd per cijfer afnam. Hiervan is echter niets te zien; evenmin blijkt er een tegengestelde trend. Mijn indruk tijdens het afnemen van de articulatiemeting was, dat sommige mensen een onnatuurlijk spreekritme gebruikten bij het oplezen van de lijst cijfers, terwijl anderen wel in hun natuurlijke tempo spraken. Dat zou een onjuiste meting opgeleverd kunnen hebben. Hier moet in elk geval meer onderzoek naar gedaan worden. Op dit moment kan ik echter geen correlatie tussen articulatiesnelheid en STM-capaciteit concluderen.

Terug naar boven

 

 

 

Figuur 1: Gemiddelde capaciteiten zoals gevonden in het experiment. Verticale streepjes staan voor 1 standaarddeviatie. Gebaarders: N=8; Sprekers: N=10.

 

 

 

 

Figuur 2: Aantal proefpersonen dat een bepaalde STM-capaciteit had. De piek van de gebaarders ligt bij 4, die van de sprekers bij 7. Gebaarders: N=8; Sprekers: N=10.

 

 

 

 

Figuur 3: STM-capaciteit op volgorde van oplopende spreeksnelheid. De verwachting was hier een stijgende lijn te vinden in de STM-capaciteit. Hiervan is echter niets te zien. Gebaarders: N=8; Sprekers: N=10.

 

 

Terug naar boven

 

Met een niet-parametrische test (de Mann-Whitney-test) is gecontroleerd of het gevonden verschil ook significant is. Dat was het geval: bij een eenzijdige toets was de p-waarde 0.002. Als je een zekerheid van 95% wilt hebben dat het verschil significant is, mag de p-waarde maximaal 0.05 zijn. Dat criterium wordt dus ruimschoots gehaald; zelfs bij een zekerheid van 99% is het verschil nog significant. We kunnen dus met (meer dan) 99% zekerheid concluderen dat er een verschil in gemiddelde STM-capaciteit is tussen sprekers en gebaarders.

Wat de articulatiemeting betreft; daarbij is het beter om de proefpersonen te vragen een lijst met cijfers zo snel mogelijk voor te lezen en daaruit hun articulatiesnelheid te halen. Dit geeft meer consistente resultaten dan wanneer je probeert het natuurlijk spreekritme van een persoon te meten.

Terug naar boven